Een schrijfsel over corona en contact – Nina van Tongeren

Het is dinsdag vandaag, sociale-isolatie-dag nummer vier. Normaal zou ik nu in de les zitten, naast mijn liefste klasgenoten. Nu loop ik door het bos en weet ik niet eens meer zeker of het ochtend, middag of avond is. Ik schrijf, en bij iedere zin waar ik een punt achter plaats, ben ik een beetje teleurgesteld dat er niet van alle kanten feedback op af komt. Ik merk direct dat ik niet meer helemaal zeker weet wat ik vind van de woorden, nu ze alleen van mij zijn en niet worden gestuurd en gevoed door de groep. Zo in isolatie weet ik heel erg zeker: haast alles wat ik geleerd heb, leerde ik samen, in contact. En laat dat nou net hetgeen zijn wat ons nu zozeer afgeraden wordt.

Ik zie het veel, om me heen en in het nieuws, hoe mensen bij elkaar komen (voorbeelden zijn initiatieven als #coronahulp, gratis yoga- of theaterlessen die online aangeboden worden en een uitermate lief landelijk applaus voor de mensen die Nederland nog draaiende houden), maar ook hoe ze uit elkaar gedreven worden. Er is het filmpje van mensen die elkaar voor de Aldi de pan uit vechten om een rol toiletpapier, waarvan ik even niet goed weet of ik erom moet lachen of moet huilen (ik kies uiteindelijk voor huilen, is ook wel eens gezond), maar er zijn ook meer serieuze problemen, zoals kindjes die niet meer naar buiten kunnen om met vriendjes te spelen en ouderen die het nu zonder hun wekelijkse kopjes koffie met familieleden moeten doen. Er zijn mensen die er vrijwillig voor kiezen om helemaal binnen te blijven en er zijn er ook die vastzitten in een ander land en niet weten wanneer ze weer terug naar het eigen kunnen keren. Veel mensen in Nederland zijn nu alleen, bang, of allebei. En angst is een slechte raadgever, wordt vaak gezegd, maar het is ook een ontzettend prominente. En dat is nu misschien nog wel nodig ook.

Als ik kijk om mij heen, naar de huizen, die burchten van toiletpapier geworden zijn, en de mensen, die het soms haast niet meer aandurven om adem te halen in elkaars buurt, denkt ik dat mij wellicht wat ontgaat. Ik heb astma, anderen roepen me voortdurend toe dat ik tot de risicogroep behoor, en om over het lichamelijke aspect nog maar te zwijgen kan ik bizar slecht tegen eenzaamheid; het weekend is doorgaans nog niet eens begonnen en dan mis ik school al alsof ik een ledemaat mis. Het is duidelijk: deze dagen zijn ver van mijn gedroomde, maar toch heb ik me nog geen seconde vervreemd gevoeld van dat rotsvaste stukje dat in mijn buik woont: het stukje dat zegt dat alles altijd uiteindelijk weer goed gaat komen. Ik ben niet bang, ondanks de nieuwsberichten, ondanks de Ventolin op mijn nachtkastje en ondanks de lege straten. Misschien ben ik niet bang genoeg. Dat baart me wel zorgen soms.

Maar ik zie dat Hannah belt, en mijn mijmeringen vallen stil. Ik neem op (normaliter staat dat ding altijd op stil en mis ik alle oproepen, maar je moet toch iets, bij gebrek aan alles wat ‘echt’ is) en we praten, over alles wat we zien en alles wat we voelen; alles wat we voor elkaar zouden willen zijn in deze vreemde, ontregelde tijden. Mijn gemoed klaart op en voor we ophangen sluiten we af met ‘tot snel,’ al hebben we geen idee hoe lang dat nog gaat duren. Het contact dat ik zo mis bestaat nog, en misschien is het onterecht, maar ik ben niet bang:

Ik heb de moed niet, om het op te geven.

Nina van Tongeren (20)
Studeert writing for performance aan de HKU en is werkzaam bij het Dordtse theater Het Weeshuis.  Ze schrijft voornamelijk dramateksten en poëzie, maar is ook zoekende in scenario en proza. In haar schrijven zoekt ze naar kwetsbaarheid en probeert ze altijd oprecht te zijn, ook als dat soms pijnlijk is.

Facebooktwitterlinkedinmail